Bellen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)bellen

Ik bel.
Je/U belt.
Hij/Ze/Het belt.
We bellen.
Jullie bellen.
Ze bellen.

 

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb gebeld.
Je/U hebt gebeld
Hij/Ze/Het heeft gebeld
We hebben gebeld
Jullie hebben gebeld
Ze hebben gebeld

 

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik belde.
Je/U belde.
Hij/Ze/Het belde.
We belden.
Jullie belden.
Ze belden.

 

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal bellen.
Je/U zal bellen.
Hij/Ze/Het zal bellen.
We zullen bellen.
Jullie zullen bellen.
Ze zullen bellen.

 

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou bellen
Je/U zou bellen.
Hij/Ze/Het zou bellen.
We zouden bellen.
Jullie zouden bellen.
Ze zouden bellen.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.