Geven

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)

Ik geef.
Je/U geeft.
Hij/Ze/Het geeft.
We geven.
Jullie geven.
Ze geven.

 

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb gegeven.
Je/U hebt gegeven.
Hij/Ze/Het heeft gegeven.
We hebben gegeven.
Jullie hebben gegeven.
Ze hebben gegeven.

 

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik gaf.
Je/U gaf.
Hij/Ze/Het gaf.
We gaven.
Jullie gaven.
Ze gaven.

 

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal geven.
Je/U zal geven.
Hij/Ze/Het zal geven.
We zullen geven.
Jullie zullen geven.
Ze zullen geven.

 

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou geven.
Je/U zou geven.
Hij/Ze/Het zou geven.
We zouden geven.
Jullie zouden geven.
Ze zouden geven.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.