Hangen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)

Ik hang.
Je/U hangt.
Hij/Ze/Het hangt.
We hangen.
Jullie hangen.
Ze hangen.

 

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb gehangen.
Je/U hebt gehangen.
Hij/Ze/Het heeft gehangen.
We hebben gehangen.
Jullie hebben gehangen.
Ze hebben gehangen.

 

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik hing.
Je/U hing.
Hij/Ze/Het hing.
We hingen.
Jullie hingen.
Ze hingen.

 

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal hangen.
Je/U zal hangen.
Hij/Ze/Het zal hangen.
We zullen hangen.
Jullie zullen hangen.
Ze zullen hangen.

 

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou hangen.
Je/U zou hangen.
Hij/Ze/Het zou hangen.
We zouden hangen.
Jullie zouden hangen.
Ze zouden hangen.

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.