Helpen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)

Ik help.
Je/U helpt.
Hij/Ze/Het helpt.
We helpen.
Jullie helpen.
Ze helpen.

 

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb geholpen.
Je/U hebt geholpen.
Hij/Ze/Het heeft geholpen.
We hebben geholpen.
Jullie hebben geholpen.
Ze hebben geholpen.

 

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik hielp.
Je/U hielp.
Hij/Ze/Het hielp.
We hielpen.
Jullie hielpen.
Ze hielpen.

 

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal helpen.
Je/U zal helpen.
Hij/Ze/Het zal helpen.
We zullen helpen.
Jullie zullen helpen.
Ze zullen helpen.

 

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou helpen.
Je/U zou helpen.
Hij/Ze/Het zou helpen.
We zouden helpen.
Jullie zouden helpen.
Ze zouden helpen.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.