Slapen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)slapen

Ik slaap.
Je/U slaapt.
Hij/Ze/Het slaapt.
We slapen.
Jullie slapen.
Ze slapen.

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb geslapen.
Je/U hebt geslapen.
Hij/Ze/Het heeft geslapen.
We hebben geslapen.
Jullie hebben geslapen.
Ze hebben geslapen.

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik sliep.
Je/U sliep.
Hij/Ze/Het sliep.
We sliepen.
Jullie sliepen.
Ze sliepen.

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal slapen.
Je/U zal slapen.
Hij/Ze/Het zal slapen.
We zullen slapen.
Jullie zullen slapen.
Ze zullen slapen.

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou slapen.
Je/U zou slapen.
Hij/Ze/Het zou slapen.
We zouden slapen.
Jullie zouden slapen.
Ze zouden slapen.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.