Tellen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)tellen

Ik tel.
Je/U telt.
Hij/Ze/Het telt.
We tellen.
Jullie tellen.
Ze tellen.

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb geteld.
Je/U hebt geteld.
Hij/Ze/Het heeft geteld.
We hebben geteld.
Jullie hebben geteld.
Ze hebben geteld.

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik telde.
Je/U telde.
Hij/Ze/Het telde.
We telden.
Jullie telden.
Ze telden.

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal tellen.
Je/U zal tellen.
Hij/Ze/Het zal tellen.
We zullen tellen.
Jullie zullen tellen.
Ze zullen tellen.

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou tellen.
Je/U zou tellen.
Hij/Ze/Het zou tellen.
We zouden tellen.
Jullie zouden tellen.
Ze zouden tellen.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.