Uitnodigen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)uitnodigen

Ik nodig uit.
Je/U nodigt uit.
Hij/Ze/Het nodigt uit.
We nodigen uit.
Jullie nodigen uit.
Ze nodigen uit.

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb uitgenodigd.
Je/U hebt uitgenodigd.
Hij/Ze/Het heeft uitgenodigd.
We hebben uitgenodigd.
Jullie hebben uitgenodigd.
Ze hebben uitgenodigd.

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik nodigde uit.
Je/U nodigde uit.
Hij/Ze/Het nodigde uit.
We nodigde uit.
Jullie nodigde uit.
Ze nodigde uit.

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal uitnodigen.
Je/U zal uitnodigen.
Hij/Ze/Het zal uitnodigen.
We zullen uitnodigen.
Jullie zullen uitnodigen.
Ze zullen uitnodigen.

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou uitnodigen.
Je/U zou uitnodigen.
Hij/Ze/Het zou uitnodigen.
We zouden uitnodigen.
Jullie zouden uitnodigen.
Ze zouden uitnodigen.

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.