Vissen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)vissen

Ik vis.
Je/U vist.
Hij/Ze/Het vist.
We vissen.
Jullie vissen.
Ze vissen.

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb gevist.
Je/U hebt gevist.
Hij/Ze/Het heeft gevist.
We hebben gevist.
Jullie hebben gevist.
Ze hebben gevist.

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik viste.
Je/U viste.
Hij/Ze/Het viste.
We visten.
Jullie visten.
Ze visten.

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal vissen.
Je/U zal vissen.
Hij/Ze/Het zal vissen.
We zullen vissen.
Jullie zullen vissen.
Ze zullen vissen.

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou vissen.
Je/U zou vissen.
Hij/Ze/Het zou vissen.
We zouden vissen.
Jullie zouden vissen.
Ze zouden vissen.

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.