Winkelen

Présent/Onvoltooid Tegenwoordige tijd (OTT)sac

Ik winkel.
Je/U winkelt.
Hij/Ze/Het winkelt.
We winkelen.
Jullie winkelen.
Ze winkelen.

Passé composé/Voltooid Tegenwoordige tijd (VTT)

Ik heb gewinkeld.
Je/U hebt gewinkeld.
Hij/Ze/Het heeft gewinkeld.
We hebben gewinkeld.
Jullie hebben gewinkeld.
Ze hebben gewinkeld.

Imparfait + Passé simple/Onvoltooid Verleden Tijd (OVT)

Ik winkelde.
Je/U winkelde.
Hij/Ze/Het winkelde.
We winkelden.
Jullie winkelden.
Ze winkelden.

Futur simple/Onvoltooid Tegenwoordige Toekomende Tijd (OTTT)

Ik zal winkelen.
Je/U zal winkelen.
Hij/Ze/Het zal winkelen.
We zullen winkelen.
Jullie zullen winkelen.
Ze zullen winkelen.

Conditionnel présent/Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd (OVTT)

Ik zou winkelen.
Je/U zou winkelen.
Hij/Ze/Het zou winkelen..
We zouden winkelen.
Jullie zouden winkelen.
Ze zouden winkelen.

PRONONCIATION : (C.Vijverman)

Laissez un petit commentaire ! ;-)

Ce site utilise Akismet pour réduire les indésirables. Apprenez comment les données de vos commentaires sont utilisées.